HOOFDSTUK 15

OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 101 Intrekking vergunningen

De Minister, handelende in overeenstemming met de Minister belast met justitiŽle en politionele aangelegenheden, kan de TAS opdragen over te gaan tot intrekking van een ingevolge deze wet:

a. verleende vergunning als bedoeld in artikel 46 lid I, artikel 49 lid 3 onder a, artikel 51 lid 1 en artikel 53 lid 1;

b. verleende aanvullende vergunning als bedoeld in artikel 52 lid 1;

c. verleende ontheffmg als bedoeld in artikel 47 lid 2;

d. toegekend of gereserveerd nummer als bedoeld in artikel 24 lid 3;

e. toegekende frequentie als bedoeld in artikel 62 lid 3.indien naar hun oordeel de vrees gewettigd is dat het van kracht blijven van die vergunning, aanvullende vergunning, ontheffing dan wel het gebruik van die frequentie of dat nummer gevaar zal opleveren voor de nationale veiligheid van de Staat of de openbare orde.

De TAS is gehouden een ingevolge lid 1 van dit artikel gegeven opdracht onverwijld uit te voeren.!

Artikel 102 Nummeridentificatie

De artikelen 30 en 31 zijn van overeenkomstige toepassing op de aanbieder van openbare telecommunicatiediensten die:

gebruik maakt van de telecommunicatie-infrastructuur van een concessiehouder die ingevolge artikel 30 lid 1 gehouden is tot aanbieding van de dienst van nummeridentificatie;

als onderdeel van de door hem te bieden diensten nummeridentificatie aanbiedt.

Artikel 103 Aftappen

De artikelen 33 tot en met 35 zijn van overeenkomstige toepassing op de aanbieders van openbare telecommunicatiediensten.

De artikelen 33 tot en met 35 kunnen door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van overeenkomstige toepassing worden verklaard op de aanbieders van niet-openbare telecommunicatie-infrastructuur en niet-openbare telecommunicatiediensten, indien deze feitelijk voor derden openstaan.

Artikel 104 Geheimhoudingsplicht

Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van deze wet en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift terzake die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling.voortvloeit.