RESOLUTIE, van 24 SEPTEMBER 1945 No.2975, houdende vaststelling van de voorwaarden en bepalingen waaronder vergunningen zullen worden verleend voor het vervoer van personen of goederen te land, als bedoeld in artikel 1 van Autobusverordening (G.B.1943 NO.100)

 DE GOUVERNEUR VAN,SURINAME,

 Gehoord den Directeur van het departement van Openbare werken en verkeer, den Procureur-Generaal en den administrateur van Financiën;

Gelet op de Autobusverordening (G.B.1933 No.100);

Overwegende, dat het noodig is de voorwaarden en bepalingen vast te stellen,naar welke krachtens artikel 3, eerste lid, van de aangehaalde verordening, vergunningen zullen kunnen worden verleend tot het in werking brengen van een openbaar middel tot vervoer van personen of goederen te land, als bedoeld in artikel 1 van de bedoelde verordening;

Besluit:

A. Vast te stellen de volgende.

 Voorwaarden en bepalingen,

naar welke, krachtens artikel 3, eerste lid van de na te melden verordening, vergunningen zullen worden verleend tot het in werking brengen van een openbaar middle tot vervoer van personen of goederen te land, als bedoeld in artikel 1 van de Autobusverordening (G.B. 1933 no. 100).

 Artikel   1.

De Gouverneur kan, daartoe termen vindende, aan een persoon of aan een vereeniging van personen voor den duur van ten hoogste vijf jaren, vergunning verleenen voor het onderhouden en exploiteeren van een autobusdienst, met dien verstande, dat deze vergunning op verzoek van de(n) vergunninghouder (s) telkens voor den duur van vijf jaren kan worden vernieuwd, wanneer een daartoe strekkend verzoek ten minste 6 maanden. voor het verstrijken van den termijn, waarvoor de loopende vergunning is verleend, bij den gouverneur wordt ingediend.

Artikel    2.

De vergunning wordt verleend voor elk motorvoertuig afzonderlijk voor den, daarbij bepaalden duur en voor de daarin genoemde trajecten ; voorts met inachtneming van de bepalingen. van de verordening van 30 December 1916 (G. B. 1917 No.65) of die haar mocht vervangen en hare uitvoeringsbesluiten en verder onder de volgende bijzondere voorwaarden.

Artikel    3.

Het vergunningsrecht, bedoeld, in het tweede lid van artikel 3 van de verordening van 23 augustus 1933 (G.B.  no. 100) bedraagt, f 25,- per jaar  tenzij in bijzondere gevallen door den Gouverneur anders wordt bepaald. Het vergunningsrecht moet worden voldaan ten kantore van den Algemeenen Ontvanger en Betaalmeester, voor de eerste maal binnen eene maand nadat de vergunning is verleend en vervolgens uiterlijk een jaar na den eersten betaaldag.

Artikel 4.

De vastgestelde dienstregeling en tarieven kunnen tijdens den geldigheidsduur van de vergunning door den Gouverneur, na overleg met den vergunninghuoder, worden gewijzigd.
Een lijst van alle goedgekeurde passage- en vrachtgelden moet worden aangebracht op een voor het publiek goed zichtbare plaats in elke autobus, welke in gebruik is.

Artikel 5.

De voorwaarden en bepalingen der vergunning kunnen nimmer strekken tot bekorting van de bevoegdheden van de plaatselijke autoriteit of van de politie in een district, met betrekking tot de regeling van het verkeer op den weg; eveneens mag de politie haar dienst uitoefenen zoowel op als vanuit elke autobus, zoowel met betrekking tot het verkeer van den vergunninghouder, als tot dat van andere personen.

Artikel 6.

Elke autobus, waarmede een der diensten, waarvoor vergunning is verleend, zal worden onderhouden, moet vooraf aan een keuring worden onderworpen, welk onderzoek zal worden herhaald ten minste één keer per jaar of zoo dikwijls als dit den ambtenaar, belast met het toezicht, noodig zal voorkomen.
De voor het onderzoek en de beproeving noodige werklieden en werktuigen, zoomende brandstof, als andere benoodigheden, zullen door den vergunninghouder vrij van kosten worden verschaft, terwijl andere kosten en mogelijke nadeelige gevolgen van het onderzoek en (of) de beproeving geheel voor zijn rekening komen.

Artikel 7

1. De Breedte van de autobus mag niet meer bedragen dan 2.50 m

2. De hoogte van de autobus mag niet meer bedragen dan 3.20 m.

Artikel 8

1. Wanneer een autobus leeg is, zal de laagste trede voor den gewonen ingang niet meer dan 43 cm of minder dan 25 cm boven den beganen grond mogen staan.

2. Elke trede van elken ingang moet zoodanig zijn afgewerkt, dat uitglijden wordt  voorkomen.

  Artikel 9

De gewone in- en uitgangen moeten aan de linkerzijde of aan den achterkant van het voertuig gelegen zijn, terwijl eventuele in- en uitgangen aan de rechterzijde alleen zullen worden gebruikt in geval van  nood.

Artikel 10

1.   1. De bestuurder of de conducteur van een autobus zal den passagiers niet toestaan het voertuig te betreden of te verlaten voordat hetzelve volkomen stilstaat en anders dan aan de linkerzijde.
2. Zitgelegenheden mogen niet tegen deuren worden aangebracht of op zoodanige wijze geplaatst, dat zij den weg tot in- of uitgang versperren.

Artikel 11

1.  Deur-hefboomen moeten zoodanig worden gemaakt en aangebracht, dat zij niet ontsloten kunnen worden of buiten werking blijven door toevallige omstandigheden.

2. Bij elke deuropening moet een handvat zijn aangebracht tot steun voor de passagiers bij het instappen of het verlaten van het voertuig.

3. Elke in- of uitgang voor de passagiers moet een vrije ruimte hebben van niet minder dan 50 cm breedte.

4. Er moet steeds een onbelemmerde toegang van den ingang tot elke zitplaats van de autobus zijn.

5. De breedte van elken gang van een autobus mag niet minder bedragen dan 30 cm.

Artikel 12

1.  Voor elken passagier moet er een zitplaats van tenminste 40 cm. Breedte beschikbaar zijn.
Een kind boven of twee kinderen beneden 10 jaar worden voor een persoon berekend
2.  Het aantal zitplaatsen van het voertuig moet duidelijk met letters van 2.5 cm. hoogte zijn aangegeven  aan de buitenzijde van het voertuig, hetzij aan den linker- of achterkant en aan de binnenzijde.

Artikel 13

1.  Elke autobus moet voorzien zijn van voldoende kunstlicht.

2.  Het stuurrad moet zoodanig zijn geplaatst, dat de bestuurder gelegenheid heft met de hand de gewone verkeerssignalen te geven.

Artikel 14

1.  De zitplaats van den bestuurder moet zijn  ingericht met voldoende ruimte voor beenen en hoofd, terwijl de controle- en stopteekens e.d. zoodanig moeten zijn geplaatst, dat zij gemakkelijk te bereiken en te hanteeren zijn.

2.  Wanner een glazen windscherm voor den bestuurder is aangebracht, moet er een automatische windschermveger aanwezig zijn.

Artikel 15

1.  Er moet een doelmatige schelinrichting aanwezig zijn, teneinde den passagiers gelegenheid te verschaffen, wanneer noodig, met den bestuurder in verbinding te komen.
2.  De autobus, waaronder begrepen het buitenwerk, moet degelijk en netjes van passend material zijn gebouwd, goed afgewerkt en in goeden staat verkeeren en van zoodanigen opzet, dat zij aan de vereischten van den dienst, waarvoor zij bestemd is, kan voldoen.

Artikel 16

Het is verboden goederen, anders dan passagiers persoonlijk toebehoorende baggage, te vervoeren in het voertuig.

Artikel 17

Het is verboden goederen op een  of beiden zijden van de modderkap, of naast, dan wel boven den radiator of achter het motorvoertuig , te vervoeren.

Artikel 18

In bijzondere gevallen, te zijner uitsluitende beoordeling, kan de Gouverneur ontheffing verleenen van een of meer der gestelde voorwaarden of daarin wijziging brengen.

Artikel 19

De vergunning kan worden ingetrokken bij niet of niet behoorlijke nakoming van de vastgestelde bepalingen en voorwaarden.

B. Het toezicht op de naleving van de voorwaarden van krachtens deze resolutie verleende vergunningen op te dragen aan de Procureur-Generaal en den Directeur van het departement van Openbare Werken en Verkeer of aan door hen aan te wijzen ambtenaren.

C. Het vorenstaande ter algemeene kennis te brengen door plaatsing in het Gouvernements Advertentieblad en in het Gouvernementsblad te doen opnemen.

Paramaribo, den 24sten September 1945.
 J. C. BRONS.

 Uitgegeven den 29sten September
 
De wd. Gouvernements-Secretaris,l.
H.K.A.KLEINE.