RESOLUTIE van 9 Februari 1950 No. 610, houdende nadere wijziging. en aanvulling van de Autobusverordening (G.B. 1933 No. 100), zoals zij luidt na wijziging laatstelijk bij G.B. 1949 No. 51.

DE LANDSMINISTER VAN 

OPENBARE WERKEN EN VERKEER,

Gelezen het door de Administrateur van FinanciŽn overgelegd schrijven van de Controleur der Belastingen van 22 December 1949 No. 477;

Gehoord de Procureur-Generaal, de Directeur van het departement van Openbare Werken en Verkeer en de Administrateur van FinanciŽn;

Herlezen de resolutiŽn van 24 September 1945 No. 2975 (G. B. No. 146), 25 September 1946 No. 3411, (G.  B. No. 102) en 22 Maart 1948 No. 1239 (G.  B. No. 44)

Gelet op de Autobusverordeningz (G: B. 1933 No. 100), zoals zij luidt na wijziging laatselijk bij G.  B. No. 51;

 Besluit

 A.    De resolutie van 24 September 1945 No. 2975 (G.B.No.146), zoals laatstelijk gewijzigd bij resolutie van 22 Maart 1948 No. 1239 (G.  B. No. 44) houdende vaststelling van voorwaarden en bepalingen naar welke, krachtens, artikel 3, eerste lid van de na te melden verordening, vergunningen zullen kunnen worden verleend tot het in werking brengen van een openbaar middel tot vervoer van personen of goederen te land als bedoeld in artikel 1 van de Autobusverordening (G.  B. 1933 No. 100), zoals zij luidt na wijziging laatstelijk bij G. B. 1949 No. 51, nader te wijzlgen en aan te vullen als volgt:

 I.   Aan artikel 1 wordt een 2de lid toegevoegd, luidende als volgt :
,,Een vergunning kan slechts worden verleend onder.voorwaarde, dat nauwkeurig wordt boekgehouden van de uit,komsten van het bedrijf waarin de vergunning wordt gebezigd en dat de door de vergunninghouder verschuldigde belastingen en andere middelen welke op dezelfde voet als belastingen worden ingevorderd tot een door de Controleur der Belastingen voldoende bedrag zijn voldaan.

Il. Artikel 3 wordt gelezen als volgt :
,,Het vergunningsrecht bedoeld in het tweede lid van artikel 2 van de verordening van 23 Augustus 1933 (G.  B. No. 100), zoals deze luidt na wijziging laatstelijk bij de landsverordening van 10 Mei 1949 (G.  B. No. 51) bedraagt:

a. Voor een bus van 25 zitplaatsen of meer:

  • voor een jaar of minder, doch meer dan zes maanden                               f. 30.-

  • voor zes maanden of minder, doch meer dan drie maanden                     f 1750.-

  • voor drie maanden of minder                                                                    f. 10.-

b. Voor een bus met minder dan 25 zitplaatsen:

  • voor een jaar of minder, doch meer dan zes maanden                               f. 25.-

  • voor zes maanden of minder, doch meer dan drie maanden                       f. 15.-

  • voor drie maanden of minder                                                                     f. 8.-

III. In artikel 19 wordt onder letter B het woordje. ,,enĒ na .,Procureur Generaal" vervangen door een komma en na bet woord ,,Verkeer" ingevoegd ,, en de Controleur der Belastingen".

 B.  Te bepalen, dat deze resolutie waarvan afsehrift in het Gouvernementsblad en in. het Gouvernements-Advertentieblad zal worden geplaatst in werking treedt op de dag na die harer plaatsing, met dien verstande echter, dat voor de lopende vargunningen het bij de betrekkelijke resolutie vastgesteld vergunningsrecht blijft gehandhaafd tot de verstrijking van de daarin gestelde termijn.

Paramaribo, 9 Februari 1950
A,W, BRAKKE

Uitgegeven 15 Februari 1950

De Landsminister van Algemeen en Gewestelijk Bestuur,
J.C. ZAAL

 

Verbeterblad

Het intitulť van G. B. No. 31 wordt als volgt gelezen:

Resolutle van 9 Februari 1950 No. 610, houdende nadere wijziging en aanvulling van de resolutie van 24 September 1945 No. 2975 (G.  B. No. 146), laatstelijk gewijzigd bit resolutie van 22 Maart 1948 (G.  B. No. 44), houdende vaststelling van de voorwaarden en bepalingen waaronder vergunningen zullen worden verleend voor het vervoer van personen of goederen te land, als bedoeld in artikel 1 van de Autobusverordening(G.  B. 1933 No. 100).

De wnd. Gouvernements-Secretaris,
A.D. FERNANDES