LANDSBESLUIT van 30 oktober 1964 tot het verplichtstellen van de bediening van een in Suriname geadmitteerde loods in Surinaamse rivieren en riviermondingen.

  IN NAAM DER KONINGIN!

DE WND.  GOUVERNEUR VAN SURINAME,

Gelet op de landsverordeiiing van 22 mei 1947 (geldende tekst G.B. No. 82) ar'tikel 2 en artikel 4 sub 3 en op de verordening van 30 juni 1.897 G.B. No. 22 (geldende tekst G.B. 1951 No. 165) artikel 40.

0verwegende

dat het algemeen belang vordert, dat de zeeschepen die de Nickerierivier of de Coppenamerivier willen binnenkomen of uitgaan, of deze rivieren alsmede de Saramaccarivier willen bevaren, zich van een in Suriname geadmitteerde loods bedienen;

Heeft, de Raad van Advies gehoord, besloten.

Artikel 1.

De gezagvoerders van zeeschepen groter dan 50 ton, die de Nickerie- of Coppenamerivier willen binnenkomen of uitgaan, genoemde rivieren beneveiis de Saramaccarivier willen bevaren, zijn verplicht zich te bedienen van een in Suriname geadmitteerde loods.

Artikel 11.

Vrijgesteld hiervan zijn de schepen als bedoeld in artikel 5 van de landsverordening van 22 mei 1947 G.B. 1947 No. 82.

Gegeven te Paramaribo, de 30ste oktober 1964.
F. HAVERSCHMIDT.

De Minister van Openbare Werken en Verkeer,
 J. THIJM.

Uitgegeven te Paramariho, de 10ste oktotber 1961.

De Minister van Binnenlandse Zaken,
J.A. PENGEL.