DECREET van 24 juni 1981, houdende vaststelling van nieuwe regels inzake het havenwezen (Decreet Havenwezen 1981).

DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK SURINAME,

    In overweging genomen hebbende, dat - met het oog op de economische ontwikkeling van Suriname - het wenselijk is nieuwe regels vast te stellen inzake het havenwezen, onder meer met betrekking tot het instellen van de rede Corantijn en de rede Apoera, alsmede het kunnen aanpassen van de tarieven op een doelmatige wijze.
    Heeft, na goedkeuring door de Raad van Ministers, vastgesteld het navolgende decreet:

 

HOOFDSTUK I
Algemene bepalingen

Artikel 1

1.    Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder :

  1. Minister: Minister van Openbare Werken en Verkeer;

  2. Gezagvoerder: hij, die gezag uitoefent op een vaartuig bestemd voor de zeevaart of kustvaart;

  3. Schipper, hij, die gezag uitoefent op een vaartuig bestemd voor de binnenvaart;

  4. Schepen: alle vaartuigen hoe genaamd en van welke aard ook.

2.    Voor de toepassing van dit decreet wordt mede verstaan onder:

  1. Havenmeester: de Onderhavenmeester zo deze hem vervangt;

  2. Gezagvoerder: degene die de gezagvoerder vervangt;

  3. Schipper: degene die de schipper vervangt.

Artikel 2

I.    Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder:

  1. Rede van Paramaribo:
    dat deel van de Surinamerivier, dat besloten ligt tussen de lijn getrokken van de monding der Sluiskreek langs de zuidzijde van de Mahonielaan op de linkeroever, naar de monding der Sluiskreek te Meerzorg op de rechteroever, en de lijn getrokken van de monding der Sluiskreek uitmondende in de Surinamerivier 312 m. benoorden het noordpunt van de Bacovensteiger op de linkeroever in de richting rechtwijzend oost tot waar deze lijn de rechteroever snijdt;

  2. Rede van Nieuw Nickerie:
    dat deel van de Nickerierivier, dat besloten ligt tussen het snijpunt van de Oostelijke grenslijn van plantage “Margarethenburg” waar deze de linkeroever snijdt in de richting rechtwijzend noord tot waar deze lijn de rechteroever snijdt en het snijpunt van de westelijkc grenslijn van plantage “Waterloo” opde linkeroever in de richting rechtwijzend noord tot waar deze lijn de rechteroever snijdt;

  3. Rede Corantijn:
    de westelijke begrenzing
    de lijn die de oevers van de oostzijden van het Lang eiland en het Slangeneiland alsmede het Oostelijk gelegen eiland van de “Drie Zusters” verbindt;
    de zuidelijke begrenzing
    het zuidelijkste punt van het meest oostelijk gelegen eiland van de “Drie Zusters” in de richting rechtwijzend Oost tot waar deze de Surinaamse oever snijdt;
    de oostelijke begrenzing
    de hoogwaterlijn van de Surinaamse oever tussen het snijpunt van de lijnen die de noordelijke en de zuidelijke begrenzing vormen;
    de noordclijke begrenzing
    de lijn getrokken van het noordelijkste punt van het Lange-eiland tot de linkeroever van de Thomaskreek;

  4. Rede van Apoera
    dat deel van de Corantijnrivier, dat besloten ligt tussen de lijn getrokken van de aanlegsteiger te Washabo aan de rechteroever in de richting rechtwijzend west en de lijn getrokken van de kreek bezuiden Apoera in de richting rechtwijzend west tot waar deze lijnen de hoogwaterlijn aan de linkeroever snijden;

  5. Rede van Albina
    dat deel van de Marowijnerivier, dat besloten ligt tussen de lijnen getrokken van de linkeroever van de Anjoemarakreek in de richting rechtwijzend oost en de lijn getrokken van de steenslagsteiger te Papatamkondre in de richting rechtwijzend oost tot waar deze lijnen de grenslijn tussen Suriname en Frans Guyana snijden;

  6. Steigers

    1. Alle in de openbare wateren aangelede met de oever verbonden werken waaraan schepen       kunnen meren, ten anker gaan of op andere wijze aanleggen tot het doen in- of ontschepen van personen en het laden of lossen van goederen

    2. Van de steigers als bedoeld onder 1 zijn uitgezonderd, de zich in de openbare wateren  bevindende met de oever verbonden loopplanken of dergelijke inrichtingen van zeer eenvoudige  constructie, welke uitsluitend dienen tot gebruik voor het landen met kleine roei- of zeilvaartuigen en die krachtens vergunning van de betrokken Districts- Commissaris zijn aangelegd.

    3. Voor de toepassing van dit decreet wordt mede verstaan onder:

REDE:
Alle in het riviervak van een rede uitmondende en bevaarbare openbare wateren die in open verbinding staan met dat riviervak en die niet in open verbinding staan, tot aan het werk dat die open verbinding verhindert.

 

Bevoegd gezag

Artikel 3

  1. Het Hoofd van de Dienst Scheepvaart treedt op als Havenmeester van Paramaribo en wordt in de uitoefening van zijn functie bijgestaan en zo nodig vervangen door de Onderhavenmeester.

  2. Indien de Minister geen havenmeester in een district aanstelt treedt de betrokken Districts-Commissaris alszodanig op.

Beroep

Artikel 4

De belanghebbende, die bezwaar heeft tegen een beslissing, welke te zijnen aanzien ter Uitvoering van dit decrect is genomen, kan binnen dertig dagen nadat deze hem is medegedeeld, schriftelijk bij de Minister in beroep komen.

 

HOGFDSTUK II

Voorschriften betreffende het toezicht bouwen, slopen, opruiming en onderhoud van werken

Artikel 5

Met het toezicht op een rede en de handhaving van de bepalingen van dit decreet alsmede met het innen ten behoeve van Staatskas van de krachtens de bepalingen van dit decrect verschuldigde vergoedingen is de betrokken Havenmeester belast.

Artikel 6

  1. Gezagvoerders of schippers van schepen, die binnen een rede ten anker willen gaan of aan de wal willen meren, doen zulks ter plaatse door of vanwege de betrokken Havenmeester telkens daarvoor aan te wijzen.

  2. In afwachting van de aanwijzing als in het eerste lid bedoeld is de gezagvoerder of schipper verplicht zijn schip ten anker te doen gaan op een zodanige plaats dat in geval van rondzwaaien tengevolge van verandering van de stroom of windrichting de veiligheid van het scheepvaartverkeer niet in gevaar wordt gebracht.

  3. De aanwijzing als bedoeld in het eerste lid is niet vereist voor gezagvoerders of schippers van schepen die:

    1. behoren aan of gecharterd zijn door vennootschappen, rederijen of bijzondere personen en merende aan steigers, vaste boeien, duc d’alven die aan hen toebehoren, bij hen in gebruik of beheer zijn;

    2. ankeren of meren aan door de betrokken Havenmeester daarvoor aangewezen vaste ligplaatsen of steigers.

Artikel 7

  1. De gezagvoerder of schipper van een schip die daarmede aan enige aan de Staat toebehorende, mede voor gebruik door particulieren bestemde steiger meert of daarbij aanlegt om passagiers te doen in- of ontschepen, of goederen te lossen of te laden, is verplicht een vergoeding voor het gebruik van die steiger en van de zich eventueel daarop bevindende laad- en losinrichtingen, te betalen.

  2. De vergoeding als in het eerste lid bedoeld, bedraagt voor vaartuigen met een netto inhoud van:

    1. 50 register ton                                    f.    25.-

    2. 50, doch minder dan 500 register ton    f.    50.-

    3. 500, doch minder dan 1500 register ton f.    75.-

    4. 1506, tot en met 2000 register ton         f. 100.-

    5. Voor elke 1000 register ton of gedeelte daarvan boven 2000 zal nog een bedrag van f. 15- in rekening worden gebracht.

  3. Van de betaling van de vergoeding als in het eerste lid bedoeld zijn vrijgesteld:

  1. gezagvoerders of schippers van schepen, die voorzien zijn van een Surinaamse zeebrief en uitsluitend gebruikt worden voor het verrichten van vaste diensten tussen in Suriname gelegen plaatsen;

  2. gezagvoerders of schippers van in Suriname geregistreerde vissersschepen;

  3. gezagvoerders of schippers van openschepen met een draagvermogen van minder dan 30 register ton;

  4. gezagvoerders of schippers van dekschuiten  met een maximum draagvermogen van minder dan 75 ton van 1000 kg.

Artikel 8

  1. De gezagvoerder of schipper van een schip die daarmede door een aan de Staat toebehorende schutsluis wil varen, dient daarvoor een vergoeding te betalen.

  2. De vergoeding als in het eerste lid bedoeld bedraagt voor:

    1. vaartuigen met een inhoud van 20 m³ of minder                                                  f. 3.-;

    2. vaartuigen met een inhoud van meer dan 20m³  doch minder dan 50 m³             f.  10.-;

    3. vaartuigen met een inhoud van 50 m³, doch minder dan 100 m³                         f.  20.-;

    4. vaartuigen met een inh6ud van 100 m³ of meer voor elke 20 m³ of gedeelte daarvan boven de 100 m³ wordt nog .f. 5.- in rekening gebracht;

    5. voor houtvlotten al of niet bevestigd aan drijvers per blok                                f. 0,25.-;

    6. vaartuigen zijnde, korjalen, uitgeholde boomstammen al of niet geboeid of gebouwd naar de vorm van uitgeholde boomstammen al of niet overdekt tot een maximum lengte van 12 meter en een maximum breedte van 1,35 m.

Artikel 9

  1. Gezagvoerders of schippers van schepen. die de Surinaamse wateren bevaren zijn verplicht een bakengeld alsmede een vergoeding voor de geloste als van de ingenomen lading, te betalen.

  2. Het bakengeld bedraagt f. 0,15 (VIJFTIEN CENT) per netto register ton of gedeelte daarvan.

  3. De vergoeding voor de geloste en of ingenomen lading bedraagt f.0.55 (VIJF EN VIJFTIG CENT) per ton of gedeelte daarvan.

  4. De in het derde lid bedoelde vergoeding wordt berekend per gewichtston van duizend kilogram of per maatton van  kubieke meter, al naar gelang de vrachtberekening naar de maatstaf van gewichts- dan wel maatton plaatsvindt.

  5. Bij een aaneengesloten verblijf van een buitenlands schip in de Surinaamse wateren van langer dan veertien dagen worden de vergoedingen in het derde lid van dit artikel vermeerderd met f. 0,10 (TIEN CENT) per netto register ton van het vaartuig voor elke tijdsperiode van veertien dagen of gedeelte daarvan.

  6. Schepen die voor het eerst Suriname aandoen en niet van een erkende meetbrief zijn voorzien worden alhier aan een meting onderworpen.

Artikel 10

Van de vergoeding als bedoeld in het vorige artikel op de ingenomen dan wel geloste lading zijn vrijgesteld, gezagvoerders van oorlogsschepen.

Artikel 11

  1. Voor het hebben van een vaste boei, een duc d’alve, meerpaal, steiger of een ander waterwerk in de openbare wateren, is vergunning van de betrokken Havenmeester vereist.

  2. De te betalen recognitie voor de werken als bedoeld in het eerste lid, bedraagt:

    a.    binnen de Rede van Paramaribo f. I.- (EEN GULDEN) per M² en

    b.    daarbuiten f. 0,50 (VIJFTIG CENT) per M²;

  3. Bij de vergunningsaanvraag dient tevens het betreffende bouwplan en een situatie-tekening ter goedkeuring te worden bijgevoegd.

Artikel 12

Eigenaars, gebruikers of beheerders van niet aan de Staat Suriname toebehorende steigers, vaste boeien, duc d’alven of een ander waterwerk hebben, zonder dat daarvoor enige vergoeding, wordt betaald toe te staan dat daarvan naar hun bestemming in geval van nood gebruikt wordt gemaakt door gezagvoerders of schippers van schepen die aan de Staat toebehoren.

 

HOOFDSTUK III

Aanschrijving tot het treffen van voorzieningen

Artikel 13

De Havenmeester is belast met het toezicht op de plaatsing en op de staat van ouderhoud van de zich in de openbare wateren bevindende aan anderen dan aan de Republiek Suriname toebehorende steigers, vaste boeien, duc d’alven en of andere waterwerken.  Hij is bevoegd de belanghebbende aan te schrijven om binnen een door hem te bepalen termijn de door hem aan te geven voorzieningen te treffen.

Artikel 14

  1. Onverminderd de op te leggen straffen bij overtreding van een der bepalingen van dit decreet of ter uitvoering daarvan vastgestelde besluiten is de betrokken Havenmeester, na vooraf aan belanghebbende een redelijke termijn te hebben gegeven om alsnog te verrichten, hetgeen hem ingevolge een nader omschreven aanduiding nodig wordt geacht, bevoegd de nodige voorzieningen voor rekening van de aangeschrevene te doen treffen.

  2. De kosten hierdoor veroorzaakt worden de belanghebbende onder bijvoeging van een specificatie vanwege de betrokken Havenmeester door een met controle belaste ambtenaar van de dienst Scheepvaart betekend; zij zijn invorderbaar bij parate executie. 

 

HOGFDSTUK IV

Andere verplichtingen van de gezagvoerder of schipper

Artikel 15

  1. De gezagvoerder of schipper van een binnenvarend of ter rede liggend schip is verplicht alle door de Havenmeester of door hem aan te wijzen ambtenaren verlangde inlichtingen te geven, de aan boord bevindende scheepspapieren tonen alsmede de gestelde vragen naar waarheid te beantwoorden.

  2. Ingeval de gezagvoerder vertrekt of poogt te vertrekken zonder het vereiste verlof te hebben verkregen, moet de Havenmeester hen zulks beletten of doen beletten, zo nodig met behulp van de sterke arm.
    De kosten hierdoor veroorzaakt, alsmede die van bewaking van het schip moeten door de gezagvoerder of schipper voor zijn vertrek worden voldaan; zij worden de betrokkene onder bijvoeging van een specificatie vanwege de betrokken Havenmeester door een met controle belaste ambtenaar van de dienst Scheepvaart betekend; zij zijn invorderbaar bij parate executie.

  3. De kosten worden berekend krachtens de Uitvoerwet 1940 (G.B. 1940 No. 175), met dien verstande dat, zo niet van de diensten van ambtenaren of beambten wordt gebruik gemaakt, voor de diensten te verrichten door voor dit doel aan te wijzen niet-ambtenaren het dubbele zal zijn verschuldigd van de bedragen bij bovengenoemde wet als vergoeding voor te verrichten diensten is bepaald.

  4. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op gezagvoerders of schippers van oorlogsschepen, openschepen en van schepen bestemd voor de visserij.

Artikel 16

De gezagvoerder of schipper wiens schip schade heeft toegebracht aan eigendommen van de Staat of van particulieren, is verplicht hiervan zo spoedig mogelijk kennis te geven aan de betrokken Haven- meester.

Artikel 17

  1. Het is verboden in openbare wateren, ballast, afvalstoffen en afgekeurde goederen overboord te werpen.

  2. Hetzelfde geldt voor het overboord pompen van olie, oliehoudend ballastwater of oliehoudend lenswater.

Artikel 18

Alle schepen die de Surinaamse wateren binnenvaren zijn verplicht de Surinaamse vlag, hun natievlag en eventueel hun kantoorvlag te voeren.

Artikel 19

Bij brand aan boord van een schip is de gezagvoerder of schipper verplicht onmiddellijk de meerplaats te verlaten, tenzij er geen gevaar voor andere schepen of waterwerken bestaat.

Artikel 20

Wanneer een schip in openbare wateren een anker verliest, moet de gezagvoerder of schipper hiervan zo spoedig mogelijk kennis geven aan de betrokken Havenmeester.  De plaats dient daarbij door middel van peilingen zo nauwkeurig mogelijk te worden aangegeven.

Artikel 21

Het is verboden in openbare wateren, tenzij in geval van nood enig schip of wrak tegen de wal te zetten  of onbeheerd te laten liggen, zonder vergunning van de betrokken Havenmeester.

Artikel 22

  1. Wanneer een schip gezonken is, is de gezagvoerder of schipper of de eigenaar verplicht het op aanzegging van de betrokken Havenmeester op te ruimen binnen de daarbij te stellen termijn.

  2. Blijft hij hierin nalatig, dan geschiedt de opruiming vanwege de Staat op kosten van belang- hebbende.

  3. De hierdoor ontstane kosten worden ingevorderd op de wijze zoals aangegeven in artikel 1 laatste lid.

  4. Voor eventuele schade, ontstaan bij het uitvoeren der werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid  van dit artikel, is de Staat niet aansprake lijk.

Artikel 23

  1. De gezagvoerder of schipper van een ter rede komend schip is voor zoverre en voor zolang de eisen van het veilig varen zich daartegen niet verzetten verplicht op de eerste aanzegging te stoppen en medewerking te verlenen opdat de Havenmeester of door hem aangewezen ambtenaren het schip veilig kunnen betreden.

  2. Ingeval de gezagvoerder of schipper niet terstond gehoor geeft aan een aanzegging als in het eerste lid bedoeld kan hij na te zijn gewaarschuwd tot nakoming daarvan gedwongen worden, zo nodig met behulp van de sterke arm en onverminderd de straf op de overtreding gesteld.

 

HOOFDSTUK V

Strafbepalingen

Artikel 24

 Met een geldboete van ten hoogste f. 500.- of hechtenis van ten hoogste drie maanden worden gestraft:

  1. de gezagvoerder of schipper die met zijn schip op een andere plaats ten anker gaat of op een andere plaats aan wal meert dan hem is aangewezen of in afwachting van een zodanige aanwijzing - op een ander plaats dan in artikel 6 tweede lid is aangegeven;

  2. de gezagvoerder of schipper aan wie een plaats voor zijn schip is aangewezen, die zonder daartoe verkregen toestemming en zonder noodzaak, met dit schip van ligplaats veranderd;

  3. de gezagvoerder of schipper die een bevel tot verandering van ligplaats door of vanwege de Havenrneester gegeven, niet of niet voldoende nakomt;

  4. de gezagvoerder of schipper die zonder daartoe bevoegd te zijn of zonder daartoe verkregen toestemming van de eigenaar of rechthebbende meert aan of gebrulk maakt van een steiger, duc d’alve, meerpaal of een ander waterwerk;

  5. de gezagvoerder of schipper die niet of in onvoldoende mate voldoet aan enig verzoek als bedoeld in artikel 15.

Artikel 25

Met een geldboete van ten hoogste f. 500.- wordt gestraft de gezagvoerder of schipper die op eerste aanmaning door of vanwege de betrokken Havenmeester gedaan het bedrag als bedoeld bij artikel 7 en hetbedrag als bedoeld bij artikel 10 in voorkomende gevallen niet voldoet.

Artikel 26

Met een geldboete van ten hoogste f. 1000.- (DUIZEND GULDEN) of hechtenis van ten hoogste zes maanden worden gestraft:

  1. de gezagvoerder of schipper of eigenaar, die de artikelen 20, 23 of 24 overtreedt;

  2. de gezagvoerder of schipper die niet, of niet tijdig voldoet aan een aanzegging als bedoeld in artikel 24 van dit decreet.

Artikel 27

Met een geldboete van ten hoogste f. 1000.- (DUIZEND GULDEN) wordt gestraft:

  1. hij die de artikelen 17, 18, 19 en 21 overtreedt;

  2. hij die een steiger, boei, duc d’alve of een ander waterwerk heeft binnen de openbare wateren zonder in het bezit te zijn van de daartoe vereiste vergunning of in afwijking van de in die vergunning gestelde voorwaarden;

  3. hij die binnen de gestelde termijn niet of niet behoorlijk voldoet aan een aan hem gedane aanschrijving;

  4. hij, die enig gebruik als bedoeld bij artikel 12 van dit decreet belet, belemmert, of verijdeld.

Artikel 28

De in dit decreet strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen.

Artikel 29

  1. Hij die een vergunning als in dit decreet bedoeld bezit, is verplicht deze vergunning aan elke persoon belast met/of bevoegd tot het opsporen van overtredingen krachtens dit decrect op eerste aanvraag ter inzage te tonen.

  2. Met het opsporen van overtredingen krachtens dit decrect zijn, behalve de in artikel 134 van het Wetboek van Strafvordering genoemde ambtenaren, belast de Havenmeester en de daartoe aangestelde ambtenaren.

 

HOOFDSTUK VI

Slotbepalingen

Artikel 30

  1. De tarieven die in dit decreet zijn vastgesteld kunnen door de Minister, na overleg met de Minister van Financiën, worden gewijzigd.

  2. De Minister kan ter uitvoering van dit decreet nadere regels vastleggen.

Artikel 31

  1. Bij de inwerkingtreding van dit decreet vervalt de “Havenwet” (G.B. 1948 No. 155).

  2. Dit decreet, dat als “Decreet Havenwezen 1981” kan worden aangehaald, wordt in het Staatsblad van de Republiek Suriname bekend gemaakt.

  3. Het treedt in werking met ingang van de dag volgende op die van zijn bekendmaking,

Gegeven te Paramaribo, de 24ste juni 1981.
H.R. CHIN A SEN.

Het Militair Gezag,
D.D. BOUTERSE.

De Minister van Openbare Werken
en Verkeer,
M.N. ATAOELLAH.

De Minister van Financiën,
A.E. TELTING.

De Minister van justitie
en Buitenlandse Zaken,
H. NAARENDORP.

 Uitgegeven te Paramaribo, de 24ste juni 1981
De Minister van Binnenlandsc Zaken,
Distriktsbestuur en Milieubeheer,
F.J. LEEFLANG.

 

NOTA VAN TOELICHTING

Met het decreet wordt in de eerste plaats beoogt de terminologie van de regels inzake het havenwezen in overeenstemming te brengen met het huidige spraakgebruik.

Een tweede doel is de tarieven die in de Wet van 18 maart 1916 (G.B. no. 64, geldende tekst G.B. 1958 No. 154) zijn vastgelegd aan te passen.

Tevens wordt de mogelijkheid geschapen om de tarieven voortaan bij beschikking van de Minister te wijzigen.

In verband met de economische ontwikkeling in Suriname is het nodig geweest enkele nieuwe reden in te stellen.

Deze zijn:
a.    de Rede Corantijn:
deze aanlegplaats zal o.a. dienen om de landbouwproducten. die na de totstandkoming van het Corantijnkanaal-project zullen worden verbouwd, af te voeren.

b.    de Rede Apoera:
de rede Apoera is ingesteld met het oog op het vervoer van in het bijzonder grondstoffen uit het West-Suriname gebied.  Het is nodig geweest de naam van de dienst Haven- en Loods-wezen te wijzigen in dienst Scheepvaart.

Aan het Hoofd van deze dienst zal staan een hoofd, dat optreedt als havenmeester van Paramaribo. Hierdoor zal er geen verwarring meer ontstaan wanneer deze functionaris in het internationale verkeer Suriname moet vertegenwoordigen.

De Havenmeester in het buitenland heeft een beperktere bevoegdheid.

In de districten zullen de districts-commissarissen mede tot taak hebben, de uitoefening van de functie  van havenmeester, tenzij het bevoegd gezag in verband met de ontwikkelingen in het district het nodig acht een afzonderlijke functionaris te benoemen en te belasten met scheepvaartzaken.

Er is ook gebruik gemaakt van de gelegenheid om in dit decreet een wettelijke basis te geven aan de vergoedingen die betaald moeten worden door gezagvoerders of schippers die gebruik maken van aan de Staat toebehorende schutsluizen.

De Minister van Openbare Werken en Verkeer,
M.N. ATAOELLAH.

De Minister van Financiën,
A.E. TELTING.

De Minister van justitie en
Buitenlandsc Zaken,
H.H. NAARENDORP.