STAATSBESLUIT van 27 november 1985 ter uitvoering van Artikel 10 van de "Surinaamse Luchtvaartwet 1935" (G.B. 1935 no. 102, geldende tekst G.B. 1955 no. 69).

DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK SURINAME, 

Overwegende, dat ter uitvoering van Artikel 10 van de "Surinaamse Luchtvaartwet 1935" (G.B. 1935 No. 102, geldende tekst G.B. 1955 No. 069) in verband met het toezicht op de geschiktheid van de leden der bemanning, het nodig is, met inachtneming van de ter zake bestaande internationale bepalingen, het volgende vast te stellen;

Heeft, na goedkeuring door de Raad van Ministers, besloten:

Artikel 1

BEGRIPSBEPALINGEN

In dit staatsbesluit wordt verstaan onder:

a. de Minister de Minister belast met luchtvaartaangelegenheden;

b. het Hoofd van de Luchtvaartdien de persoon die belast is met de feitelijke leiding van de Luchtvaartdienst;

c. het Verdrag het op 7 december 1944 te Chicago gesloten verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart;

d. VFR-vlucht een vlucht, ten aanzien waarvan tevens de zichtvliegvoorschriften van toepassing zijn;

e. IFR-vlucht een vlucht, ten aanzien waarvan tevens de instrument vliegvoorschriften van toepassing zijn;

f. commerciële een vlucht, met een winstgevend doel of een vlucht, welke door of in vlucht opdracht van een bedrijf met een commerciele doelstelling wordt uitgevoerd;

g. solovlucht een oefenvlucht voor het verkrijgen dan wel behouden van vliegvaardigheid;

h. overlandvlucht een vlucht, waarbij een vliegtuig dan wel een zweefvliegtuig zich in rechte lijn gemeten verder dan 28 km, onderscheidenlijk 5 km van de grens van het luchtvaartterrein, waarvan werd opgestegen, verwijdert;

j tweede bestuurder een lid van het stuurhutpersoneel, dat de leiding heeft bij de besturing van het luchtvaartuig;

j. tweede bestuurder een lid van het stuurhutpersoneel, dat een luchtvaartuig bestuurt, anders dan als eerste bestuurder of als leerling;

k. lid van het stuurhutpersoneel ieder, die officieel daartoe bevoegd zijnde, aan boord van een luchtvaartuig tijdens de vlucht handelingen heeft te verrichten die van direkt belang zijn voor de bediening van het luchtvaartuig;

1. boordpersoneel een lid van het stuurhutpersoneel en ieder ander, die aan boord van een luchtvaartuig ten behoeve van de inzittenden of de landing werkzaamheden heeft te verrichten;

m. bij nacht enig tijdstip gelegen tussen zonsondergang en zonsopgang;

n. bij dag/daglicht periode enig tijdstip gelegen tussen zonsopgang en zonsondergang;

o. FAR Federal Aviation Regulation;

p. MAL Mededeling aan de luchtvarenden.

q. NOTAM Notice to Airman.

Artikel 2

BEWIJZEN VAN BEVOEGDHEID EN BEVOEGDVERKLARING

1. Ten aanzien van het bedienen van burgerluchtvaartuigen worden aan de leden van het stuurhutpersoneel de bewijzen van bevoegdheid afgegeven als:

  • a. bestuurder van vliegtuigen: deze bewijzen worden verder aangeduid met vliegbewijzen en worden onderscheiden in bewijzen van bevoegdheid als:

1. leerlingvlieger (oefenbewijs);

2. privé-vlieger tweede klasse (beperkt vliegbewijs A);

3. privé-vlieger eerste klasse (vliegbewijs A);

4. beroepsvlieger (vliegbewijs B3);

5. verkeersvlieger tweede klasse (vliegbewijs B2);

6. verkeersvlieger eerste klasse (vliegbewijs Bl);

  • b. bestuurder van zweefvliegtuigen: deze bewijzen worden verder aangeduid met zweefvliegbewijs;

  • c. bestuurder van vrije ballons: deze bewijzen worden verder aangeduid met "bewijs van bevoegdheid ballonvoerder";

  • d. navigator;

  • e. boordwerktuigkundige.

2. Het Hoofd van de Luchtvaartdienst is belast met de afgifte, schorsing of intrekking van de bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen. Ten aanzien van het bedienen van andere dan de in lid 1 genoemde luchtvaartuigen zullen de bewijzen van bevoegdheid bij het Hoofd van de Luchtvaartdienst worden aangevraagd. Deze beoordeelt in elk geval afzonderlijk of, in hoeverre en onder welke voorwaarden, een dergelijk bewijs zal worden afgegeven.

3. Voor het uitvoeren of doen uitvoeren van valschermsprongen worden eveneens bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen afgegeven.

4. Door of vanwege de Minister kunnen regelen worden gesteld ten aanzien van de afgifte, schorsing of intrekking van bewijzen van bevoegdheid van stuurhut/boord en grondpersoneel.

5. Door of vanwege de Minister kunnen t.a.v. de categorieën van vliegtuigen als bedoeld in artikel 6 lid 3 nadere bijzonderheden van de af te geven bewijzen van bevoegdheid worden vastgesteld.

Artikel 3

BEVOEGDHEDEN VAN HOUDERS VAN VLIEGBEWIJZEN

1. Een oefenbewijs geeft de bevoegdheid op te treden tijdens niet commerciële vluchten als bestuurder van een vliegtuig:

  • a. uitsluitend in opdracht van een bevoegde vlieginstrukteur, welke opdracht in geval van een overlandvlucht schriftelijk moet zijn gegeven;

  • b. tijdens VFR-vluchten;

  • c. indien de houder zich tijdens de vlucht als enig inzittende in het vliegtuig bevindt.

2. Een beperkt vliegbewijs A geeft de bevoegdheid tijdens niet commerciële vluchten op te treden als eerste en tweede bestuurder van een vliegtuig:

  • a. boven Suriname;

  • b. tijdens VFR-vluchten.

3. Een viiegbewijs A geeft met betrekking tot vliegtuigen de bevoegdheid tijdens niet commerciale vluchten op te treden als.

  • a. eerste bestuurder tijdens VFR-vluchten;

  • b. eerste bestuurder tijdens IFR-vluchten, mits een bevoegdverklaring "Blindvliegen" in zijn bewijs is gesteld,.

  • c. eerste bestuurder tijdens vluchten bij nacht, waarbii andere personen dan leden van het stuurhutpersoneel worden vervoerd, mits een bevoegdverklaring "Blindvliegen" in zijn bewijs is gesteld en hij in het tijdvak van zes maanden onmiddeliijk voorafgaande aan de betreffende vlucht als eerste bestuurder van een vleugelvliegtuig tenminste vijf landingen en vijf opstijgingen bij nacht heeft uitgevoerd; of drie maanden onmiddel]ijk voorafgaande aan de betreffende vlucht als eerste bestuurder van een hefschroefvliegtuig tenminste vijf opstijgingen en vijf landingen heeft uitgevoerd.

  • d. tweede bestuurder.

4. Een vliegbewijs B3 geeft de bevoegdheid van het vliegbewijs A, zomede de bevoegdheid tijdens commerciële vluchten op te treden als:

  • a. eerste bestuurder, met dien verstande, dat tijdens een verkeersvlucht het maximaal toegelaten totaal startgewicht niet meer dan 5700 kg mag bedragen,.

  • b. eerste bestuurder tijdens vluchten bij nacht, mits een bevoegdverklaring "Blindvliegen" in zijn bewijs van bevoegdheid is gesteld en hij in het tijdvak van zes maanden onmiddeliijk voorafgaande aan de betreffende vlucht als eerste bestuurder van een vleugelvliegtuig en tien landingen heeft uitgevoerd; of drie maanden onmiddellijk voorafgaande aan de betreffende vlucht als eerste bestuurder van een hefschroefvliegtuig tenminste vijf landingen en vijf opstijgingen heeft uitgevoerd;

  • c. tweede bestuurder.

5. Een vliegbewijs B2 geeft de bevoegdheden van het vliegbewijs B3, met dien verstande, dat tijdens een verkeersvlucht het maximaal toegelaten totaal startgewicht van het vliegtuig niet meer dan 20.000 kg mag bedragen.

6. Een vliegbewijs Bl voor de categorie vleugelvliegtuigen geeft de bevoegdheden van het vliegbewijs B2 zonder de in het vorige lid genoemde beperking en zonder dat voor het uitvoeren van IFR-vluchten een bevoegdverklaring "Blindvliegen" in zijn bewijs is gesteld.

7 Een vliegbewijs Bl voor de categorie hefschroefvliegtuigen geeft de bevoegdheden van het vliegbewijs B2, zonder de in het vijfde lid genoemde beperking.

Artikel 4

BEVOEGDHEDEN VAN HOUDERS VAN BEWIJZEN VAN BEVOEGDHEID ALS ZWEEFVLIEGER, BALLONVOERDER, NAVIGATOR, BOORDWERKTUIGKUNDIGE, BOORDTELEFONIST

1. Een zweefvliegbewijs geeft de bevoegdheid op te treden als bestuurder van een zweefvliegtuig.

2. Een bewijs van bevoegdheid als ballonvoerder geeft de bevoegdheid aan boord van een vrije ballon zelfstandig de vaart te leiden, met dien verstande, dat de houder tenminste 2 opstijgingen met een gemiddelde duur van 2 uur elk onder toezicht van een bevoegde ballonvoerder, die reeds de nodige ervaring alszodanig bezit, moet hebben uitgevoerd.

3. Een bewijs van bevoegdheid als navigator geeft de bevoegdheid op te treden als navigator aan boord van een luchtvaartuig.

4. Een bewijs van bevoegdheid als boordwerktuigkundige geeft de bevoegdheid op te treden als werktuigkundige aan boord van een vliegtuig.

5. Een bewijs van bevoegdheid als boordtelefonist geeft de bevoegdheid op te treden als radiotelefonist aan boord van een luchtvaartuig.

6. Door of vanwege de Minister kunnen hieromtrent nadere regelen worden gesteld.

Artikel 5

BEVOEGDVERKLARINGEN

Door of vanwege de Minister kunnen de bewijzen van bevoegdheid worden voorzien van één of meer van de ondervermelde bevoegdverklaringen:

a. vliegbewijzen:

1. bevoegdverklaring voor een categorie, klasse en type vliegtuigen;

2. bevoegdverklaring "Blindvliegen"-,

3. bevoegdverklaring "Spuitvliegen".,

4. bevoegdverklaring "Sleepvliegen";

5. bevoegdverklaring "Vliegonderricht".

b. bewijzen van bevoegdheid als boordwerktuigkundige: bevoegdverklaring voor een categorie en type van vliegtuig.

Artikel 6

BEVOEGDVERKLARINGEN IN VLIEGBEWIJZEN EN BEWIJZEN VAN BEVOEGDHEID ALS BOORDWERKTUIGKUNDIGE VOOR CATEGORIEEN, KLASSEN EN TYPEN VAN VLIEGTUIGEN

1. De houder van een vliegbewijs mag slechts dienst doen als eerste bestuurder aan boord van een luchtvaartuig, indien in zijn bewijs van bevoegdheid een bevoegdverklaring is gesteld voor de categorie en klasse waartoe het desbetreffende luchtvaartuig behoort, alsook voor het type of de typen van vliegtuigen als bedoeld in het vijfde lid van dit artikel. Indien de aanwezigheid van een tweede bestuurder aan boord van een vliegtuig is vereist, is het bovenstaande ook op hem van toepassing gedurende verkeersvluchten en vluchten waarbij andere personen dan leden van het stuurhutpersoneel worden vervoerd.

2. De houder van een bewijs van bevoegdheid als boordwerktuigkundige mag slechts als boordwerktuigkundige dienst doen aan boord van een luchtvaartuig van de categorie en het type, waarvoor in zijn bewijs van bevoegdheid een bevoegdverklaring is gesteld.

3. De in het eerste en tweede lid bedoelde categorien van vliegtuigen zijn:

Categorie I vleugelvliegtuigen; 
Categorie II hefschroefvliegtuigen; 
Categorie III vliegtuigen, welke door of vanwege de Minister als ongebruikelijk worden beschouwd.

4. De in het eerste lid van dit artikel bedoelde klasse van vliegtuigen zijn:

Voor wat betreft categorie I:

Klasse I éénmotorige landvliegtuigen; 
Klasse II meermotorige landvliegtuigen; 
Klasse III éénmotorige watervliegtuigen; 
Klasse IV meermotorige watervliegtuigen

Voor wat betreft categorie :

Klasse I éénmotorige hefschroefvliegtuigen; 
Klasse II meermotorige hefschroefvliegtuigen.

5. Bevoegdverklaringen voor typen van vliegtuigen als bedoeld in het eerste lid worden verleend ten aanzien van:

  • a. de gezamenlijke groep typen van vleugelvliegtuigen, met een maximaal toegelaten totaal startgewicht van ten hoogste 2000 kg voor elk type, dit geldt alleen voor commerciële vliegers en bezitters van een vliegbewijs A met respektievelijk vliegervaring van 1000 en 1500 uren en meer;

  • b. elk afzonderlijk type vleugelvliegtuig met een maximaal toegelaten totaal gewicht van meer dan 2000 kg;

  • c. elk afzonderlijk type vleugelvliegtuig, ongeacht het maximaal toegelaten totaal gewicht, voor alle bezitters van een beperkt vliegbewijs A alsook bezitters van een vliegbewijs A en B3 vliegbewijs met respektievelijk minder dan 1500 en 1000 uren vliegervaring;

  • d. elk afzonderlijk type hefschroefvliegtuig, ongeacht het maximaal toegelaten totaalgewicht;

  • e. elk type van de categorie III, ongeacht het maximaal toegelaten totaalgewicht.

Artikel 7

BEVOEGDVERKLARINGEN IN BEWIJZEN VAN BEVOEGDHEID VOOR BLINDVLIEGEN, SPUITVLIEGEN, SLEEPVLIEGEN EN VLIEGONDERRICHT

1. De houder van een bewijs van bevoegdheid mag tijdens IFR-vluchten de aan zijn bewijs van bevoegdheid te ontlenen bevoegdheden als eerste bestuurder slechts uitoefenen, indien in zijn bewijs een bevoegdverklaring "Blindvliegen" is gesteld dan wel zijn bewijs deze bevoegdheid omvat.
Tijdens verkeersvluchten is, voorzover nodig voor een veilige vluchtuitvoering, dit ook van toepassing op de tweede bestuurder. De bevoegdverklaring "Blindvliegen", kan slechts dan in het bewijs van bevoegdheid worden gesteld, indien de houder in het bezit is van een geldig bewijs van bevoegdheid als boordtelefonist.

2. De houder van een bewijs van bevoegdheid, waarin een bevoegdverklaring "Spuitvliegen" is gesteld, is bevoegd op te treden als eerste bestuurder van een vliegtuig, waarbij stoffen ter bevordering of bescherming van land-, tuin of bosbouw uit of van het vliegtuig worden verwijderd.

3. De houder van een bewijs van bevoegdheid, waarin een bevoegdverklaring "Sleepvliegen" is gesteld, is bevoegd op te treden als eerste bestuurder van een vliegtuig waarmee een zweefvliegtuig wordt gesleept.

4. De houder van een B3, B2 of Bl bewijs van bevoegdheid, waarin de bevoegdverklaring "vliegonderricht" is gesteld is bevoegd:

  • a. vliegonderricht te geven voor het besturen van een vliegtuig ter verkrijging van een beperkt vliegbewijs A of een vliegbewijs B, terwijl hij voor het geven van onderricht in elementair blindvliegen in de lucht, zoals vereist voor het vliegbewijs A, in het bezit moet zijn geweest van een burger- of militaire bevoegdverklaring "Biindvliegen"-,

  • b. tot het geven van toestemming tot het uitvoeren van solovluchten aan leerlingvliegers, die in het bezit dienen te zijn van een oefenbewijs;

  • c. tot het geven van onderricht in blindvliegen ter verkrijging van een verklaring "Blindvliegen", indien in zijn bewijs van bevoegdheid tevens een bevoegdverklaring "Blindvliegen" is gesteld dan wel zijn bewijs van bevoegdheid deze bevoegdheid omvat.

Artikel 8

BEPERKING VAN BEVOEGDHEDEN

De houder van een vliegbewijs, die de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt is niet bevoegd op te treden als bestuurder van een vliegtuig tijdens verkeersvluchten. Hieromtrent wordt een aantekening in zijn bewijs van bevoegdheid gesteld.

Artikel 9

VERPLICHTINGEN VAN DE HOUDERS VAN BEWIJZEN VAN BEVOEGDHEID

1. De houder van een vliegbewijs, van een zweefvliegbewijs of van een bewijs van bevoegdheid als boordwerktuigkundige is verplicht in het hiervoor in gebruik zijnde logboek, aantekening te houden van de tijd, gedurende welke hij dienst heeft gedaan, alsmede van de funkties waarin en de omstandigheden waaronder dit is geschied. De hierbedoelde aantekening geschiedt met een niet gemakkelijk uitwisbaar schrijfmiddel.

2. De houder van een vliegbewijs, een bewijs van bevoegdheid als navigator, boordwerktuigkundige, boordtelefonist of ballonvoerder is verplicht, indien hij op grond van de eisen inzake lichamelijke en geestelijke geschiktheid verplicht is corrigerende optische glazen te gebruiken, bij de uitoefening van zijn funktie steeds een tweede stel corrigerende glazen bij zich te hebben.

3. De houder van een bewijs van bevoegdheid is verplicht onverwijld kennis te geven aan de Luchtvaartdienst bij verlies daarvan.

Artikel 10

MISBRUIK LOGBOEK

Het is de houder van een vliegbewijs, van een zweefvliegbewijs, van een bewijs van bevoegdheid als ballonvoerder of van een bewijs van bevoegdheid als boordwerktuigkundige verboden:

a. in het logboek onjuiste gegevens of onjuiste aantekeningen te stellen of toe te laten dat zij daarin worden gesteld;

b. in het logboek op onverantwoorde wijze wijziging aan te brengen, te doen aanbrengen of toe te laten dat wijziging daarin wordt aangebracht;

c. het logboek geheel of ten dele te vernietigen, te doen vernietigen, verborgen te houden of te doen verborgen houden, danwel toe te laten dat het logboek wordt vernietigd of wordt verborgen gehouden.

Artikel 11

ADDITIONELE EISEN TER AFGIFTE VAN BEWIJZEN VAN BEVOEGDHEID EN BEVOEGDVERKLARINGEN

Met inachtneming van het bepaalde in dit staatsbesluit wordt aan een ieder die daartoe een aanvraag indient een bewijs aan bevoegdheid en bevoegdverklaring afgegeven, mits daarboven aan de volgende eisen wordt voldaan.

a. de leeftijd heeft bereikt als aangegeven in artikel 14;

b. de vereiste medische keuring, als bedoeld in artikel 22, met goed gevolg heeft ondergaan;

c. met goed gevolg de examens heeft afgelegd omtrent de krachtens artikel 14, derde lid vereiste kennis, bedrevenheid en ervaring.

Artikel 12

EXAMENS

1. De onder artikel 11 eerste lid onder c bedoelde examens moeten zijn afgelegd in een door of vanwege de Minister vast te stellen termijn, onmiddeilijk gevolgd door de afgifte van het bewijs van bevoegdheid, onderscheidenlijk de bevoegdverklaring.

2. Door of vanwege de Minister kunnen nadere regelen worden gesteld met betrekking tot het afleggen van examens en het voldoen aan eisen van ervaring.

3. Het model van het bewijs van bevoegdheid wordt door of vanwege de Minister vastgesteld.

Artikel 13

ERKENNING VAN BUITENLANDSE OPLEIDINGSINSTITUTEN

Door of vanwege de Minister kunnen regelen worden gesteld omtrent de erkenning van buitenlandse opleidingen voor vliegen en grondpersoneel.

Artikel 14

EISEN VOOR AFGIFTE BEWIJZEN VAN BEVOEGDHEID

1. De leeftijd welke moet zijn bereikt om in aanmerking te komen voor een bewijs van bevoegdheid als:

a. Leerling vlieger                                    16 iaar 
b. privé vlieger 2e en le klasse                  17 jaar 
c. verkeersvlieger 3e kl.                           18 jaar 
d verkeersvlieger 2e en le klasse              21 jaar 
e. zweefvlieger 16 jaar f. ballonvoerder      17 jaar 
g. navigator                                            21 jaar 
h. boordwerktuigkundige                          21 iaar 
i. boordtelefonist                                     18 jaar 
j. valschermspringer                                 61 jaar

2. De leeftijd welke moet ziin bereikt voor het verkrijgen van de bevoegdverklaring "vliegeronderricht" bedraagt 21 jaar.

3. De eisen inzake kennis, ervaring, bedrevenheid, lichamelijke en geestelijke geschiktheid, voor de bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen worden door of vanwege de Minister vastgesteld met inachtneming van de bepalingen van Bijlage I van het Verdrag.

Artikel 15

GELDIGHEIDSDUUR

1. De termijn van geldigheid van een bewijs van bevoegdheid bedraagt ten hoogste het in hiernavolgend tabel aangegeven aantal maanden.

                                                                        Aantal maanden
Bewijs van                                            Houder jonger       Houder 40 jr. 
bevoegdheid                                               dan 40 j.:          of ouder:

a. Leerling vlieger                                           24                      12

b. privé vlieger 2e en le kl.                               24                      12

c. verkeersvlieger 3e kl.                                  12                        6

d. verkeersvlieger 2e en le kl.                            6                        6

e. zweefvlieger                                               24                       12

f. ballonvoerder                                              24                       12

g. navigator                                                   12                       12

h. boordtelefonist                                           60                       60

i. boordwerktuigkundige                                  12                      12

2. De termijn van geldigheid van een bevoegdverklaring is gelijk aan die in het bewijs van bevoegdheid gesteld, met uitzondering van de bevoegdverklaring "Blindvliegen", waarvan de termijn van geldigheid ten hoogste 6 maanden bedraagt.

Artikel 16

VERLENGING VAN DE GELDIGHEIDSDUUR

1. De termijn van geldigheid van een bewijs van de bevoegdheid en van de daarin gestelde bevoegdverklaringen wordt telkens verlengd voor ten hoogste het in artikel 15 lid 1 vermelde aantal maanden. De verlenging geschiedt, indien de houder op een door of vanwege het Hoofd van de Luchtvaartdienst aangegeven wijze, heeft aangetoond dat hij zijn bekwaamheid heeft bijgehouden. Indien de aanvrager niet hieraan voldoet, vindt geen verlenging plaats dan nadat hij opnieuw met goed gevolg een volledig of gedeeltelijk examen voor het betreffende bewijs en de daarin gestelde bevoegdverklaringen heeft afgelegd. Voorts geschiedt de verlenging, indien de houder opnieuw met goed gevolg een keuring heeft ondergaan.

2. Door of vanwege de Minister kunnen regelen worden gesteld met betrekking tot de verlenging van de geldigheid van bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen van houders van de Surinaamse bewijzen die tijdelijk in het buitenland verblijf houden.

3. De verlenging van de termijn van geldigheid van een bewijs van bevoegdheid of een daarin gestelde bevoegdverklaring moet tenminste veertien dagen voor het verstrijken van de geldigheidsduur daarvan worden aangevraagd. Een bewijs van bevoegdheid en bevoegdverklaring, waarvan de geldigheidsduur is verstreken, kan weder geldig worden verklaard, nadat is gebleken dat betrokkene voldoet aan de eisen gesteld voor de afgifte van bewijzen van bevoegdheid of de bevoegdverklaring.

4. In het in de tweede zin van het vorige lid bedoeld geval wordt aan de houder een aanvullingsblad verstrekt, waaruit blijkt tot welke datum het bewijs en, indien van toepassing, de bevoegdverklaring "Blindvliegen" geldig is. Uit het aanvullingsblad blijken tevens de bevoegdheden en beperkingen welke van toepassing zijn.

Artikel 17

SCHORSING EN OPHEFFING VAN DE SCHORSING

1. Bij twijfel aan de nodige bekwaamheid van de houder van een bewijs van bevoegdheid kan door of vanwege het Hoofd van de Luchtvaartdienst worden bepaald, dat betrokkene opnieuw een gehele of gedeeltelijke medische keuring zal moeten ondergaan, onderscheidenlijk zich opnieuw aan een geheel of gedeeltelijk examen zal moeten onderwerpen, terwijl voorts de geldigheid van het bewijs kan worden geschorst.

2. De geldigheid van het bewijs van bevoegdheid kan eveneens in de navolgende gevallen worden geschorst t.w.: a. bij tijdelijke of blijvende afkeuring; b. hangende het onderzoek na een vliegongeval; c. bij gebleken wangedrag, roekeloosheid of verregaande achteloosheid;

3. De schorsinq kan worden beperkt tot één of meer op het bewus van bevoegdheid gestelde bevoegdverklaringen.

4. Van een schorsing wordt onder opgaaf van redenen bij aangetekende brief kennis gegeven aan de houder van het bewijs van bevoegdheid.

5. De houder is verplicht het in zijn bezit zijnde exemplaar van het geschorste bewijs uiterlijk op de achtste dag na de datum van verzending van bedoelde kennisgeving aan het Hoofd van de Luchtvaartdienst te zenden.

6. In gevallen, als bedoeld in het derde lid wordt het bewijs, waarin de geschorste bevoegdverklaringen zijn doorgehaald of weggelaten, aan de belanghebbende teruggezonden.

7. Een schorsing wordt in de volgende gevallen opgeheven:

a. indien met gunstige uitslag de in het eerste lid bedoelde medische keuring is ondergaan; 

b. indien met goed gevolg het in het eerste lid bedoelde examen is afgelegd; 

c. zodra blijkt dat betrokkene de vereiste aanvullende ervaring bezit; 

d. door intrekking van het bewijs van bevoegdheid.

8. Na opheffing van de schorsing, anders dan door intrekking van het bewijs van bevoegdheid, wordt de betrokkene een bewijs van bevoegdheid teruggezonden. In geval hem ingevolge het zesde lid een bewijs van bevoegdheid is gezonden, is hij verplicht dat uiterlijk op de achtste dag na ontvangst van de kennisgeving aan het Hoofd van de Luchtvaartdienst te zenden.

Artikel 18 INTREKKING 1. Een bewijs van bevoegdheid wordt ingetrokken, indien de houder de bekwaamheid voor het uitoefenen van de in het bewijs vermelde bevoegdheden blijkens de uitslag van een keuring dan wel van een examen heeft verloren.

2. Een bewijs van bevoegdheid kan worden ingetrokken, indien blijkt dat de houder bij de keuring en/of het examen, bij de afgifte of de verlenging van de termijn van geldigheid van het bewijs van bevoegdheid een verklaring in strijd met de waarheid heeft afgelegd of onjuiste gegevens heef verstrekt.

3. Een bewijs van bevoegdheid kan worden ingetrokken bij gebleken wangedrag, roekeloosheid of verregaande onachtzaamheid. Van de intrekking wordt onder opgaaf van redenen schriftelijk kennis gegeven aan de houder van het bewijs.

4. De houder is verplicht het in zijn bezit zijnde exemplaar van het ingetrokken bewijs uiterlijk op de achtste dag na de datum van verzending van genoemde kennisgeving aan het Hoofd van de Luchtvaartdienst te zenden.

5. Evenzo is degene die bij rechterklijke uitspraak de bevoegdheid is ontzegd een luchtvaartuig te besturen, verplicht het in zijn bezit zijnde exemplaar van het desbetreffende bewijs uiterlijk binnen acht dagen. nadat de uitspraak hem ter kennis is gekomen of redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij hiervan kennis droeg, aan het Hoofd van de Luchtvaartdienst te zenden.

Artikel 19

VERNIEUWING

1. Een bewijs van bevoegdheid kan door of vanwege het Hoofd van de Luchtvaartdienst worden vernieuwd, indien het is verloren of indien het onleesbaar, beschadigd of anderzins onbruikbaar is geworden,

2. Indien een bewijs van bevoegdheid wegens verlies is vernieuwd en het verloren bewijs wordt teruggevonden, is de houder verplicht het teruggevonden bewijs zo spoedig mogelijk aan de Luchtvaartdienst te zenden.

3. Indien een bewijs van bevoegdheid anders dan wegens ver1ies is vernieuwd, is de houder verplicht tegelijk bij ontvangst van het nieuwe bewijs, het oorspronkelijke bewijs in te leveren bij de Luchtvaartdienst.

4. Door of vanwege de Minister kunnen ten aanzien van het bepaalde in het vorige lid aanvullende regels worden gesteld.

Artikel 20

BEWIJZEN VAN BEVOEGDHEID EN GELIJKSTELLING

1. Een ieder die een luchtvaartuig bedient moet in het bezit zijn van een geldig bewijs van bevoegdheid en bevoegdverklaring, daartoe uitgereikt vanwege het land, waar het luchtvaartuig is ingeschreven, of een bewijs van gelijkstelling als bedoeld in het derde lid van dit artikel.

2. Bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen voor het bedienen van Surinaamse luchtvaartuigen worden door het Hoofd van de Luchtvaartdienst afgegeven of verlengd, alsmede bewijzen van gelijkstelling van elders in het buitenland afgegeven bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaring.

3. Door of vanwege de Minister kunnen nadere regelen worden gesteld met betrekking tot gelijkstelling van elders in het buitenland afgegeven bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaring.

Artikel 21

WIJZE VAN AANVRAGEN

De aanvraag voor de afgifte, verlenging of vernieuwing van de termijn van geldigheid van een bewijs van bevoegdheid of bevoegdverklaring, geschiedt door indiening bij het Hoofd van de Luchtvaartdienst van een behoorlijk ingevuld en door de aanvrager ondertekend formulier, dat bij de Luchtvaartdienst verkrijgbaar is.

Artikel 22

GENEESKUNDIG ONDERZOEK

1. Een ieder, die een bewijs van bevoegdheid en bevoegdverklaring wenst, dient zich aan de medische keuring als in artikel 11 onder b bedoeld te onderwerpen, met betrekking tot zijn lichamelijke en geestelijke geschiktheid, verder aangeduid met de keuring.

2. De keuringen worden verrricht door een keuringsarts of keuringscommissie die door de Minister, waar nodig na overleg met de Minister van Volksgezondheid wordt aangewezen.

3. Indien in bijzondere gevallen de keuringsarts of de keuringscommissie niet in staat is een keuring die verband houdt met de verlenging van een bewijs van bevoegdheid en/of bevoegdverklaring te verrichten uiterlijk op de datum, waarop de termijn van geldigheid verstrijkt, kan, in afwijking van het bepaalde in het vorige lid, zodanige keuring worden verricht door een door of vanwege de Minister voor elk geval afzonderlijk aan te wijzen geneeskundige. In zodanige gevallen moet de aanvrager binnen een termijn van twee maanden na de datum van zodanige keuring de officiële keuring door de aangewezen keuringsarts of keuringscommissie ondergaan.

4. De eisen voor de in het vorige lid bedoelde keuring worden met inachtneming van hetgeen te dien aanzien in Bijlage 1 van het Verdrag is bepaald, door de Minister vastgesteld.

Artikel 23

Van de beslissing van de keuringsarts of keuringscommissie staat voor de aanvrager binnen 30 dagen gerekend vanaf de dag van de beslissing beroep open bij een door de Minister, waarnodig na overleg met de Minister van Volksgezondheid aan te wijzen herkeuringscommissie. Aan de herkeuringscommissie kunnen op voorstel van het Hoofd van de Luchtvaartdienst adviserende leden worden toegevoegd.

Artikel 24

1. Indien tijdens een keuring blijkt, dat de aanvrager niet voldoet aan de gestelde eisen voor het desbetreffende bewijs van bevoegdheid en bevoegdverklaring, maar naar het medisch oordeel van de keuringsarts, respektievelijk de keuringscommissie, de geconstateerde tekortkomingen van zodanige aard zijn, dat zij waarschijnlijk de veiligheid van de luchtvaart niet nadelig zullen beinvloeden, moet de keuringsarts, of keuringscommissie, zulks melden aan het Hoofd van de Luchtvaartdienst, met de mededeling onder welke voorwaarden de aanvrager geschikt is verklaard. Het bedoelde medisch oordeel moet zijn tot stand gekomen in overleg met een luchtvaartdeskundige(n), op ander gebied, waarbij in voldoende mate rekening zal worden gehouden met kennis, bedrevenheid en ervaring van de aanvrager.

2. De in het vorige lid bedoelde voorwaarden moeten op het desbetreffende bewijs worden vermeld.

Artikel 25 De aanvraag tot het ondergaan van een keuring of herkeuring geschiedt door indiening bij de keuringsarts, keuringscommissie of herkeuringscommissie van een behoorlijk ingevuld en door de aanvrager ondertekend formulier, waarvan exemplaren kosteloos bij de Luchtvaartdienst verkrijgbaar zijn.

Artikel 26

1. Door of vanwege de keuringsarts of keuringscommissie dan wel herkeuringscommissie wordt de aanvrager opgeroepen voor de keuring of herkeuring.

2. Indien de aanvrager verhinderd is aan de oproep tot keuring of herkeuring gevolg te geven, moet hij daarvan met opgave van redenen onverwijld mededeling doen aan de keuringsarts of keuringscommissie, onderscheidenlijk de herkeuringscommissie. Indien de reden, waarom aan de oproep geen gevolg werd gegeven naar het oordeel van de keuringsarts, keuringscommissie of de herkeuringscommissie, gegrond is, wordt zonodig na overleg met de aanvrager, een nieuwe datum voor de keuring of de herkeuring vastgesteld en zal de aanvrager daarvoor opnieuw worden opgeroepen. Indien de reden als ongegrond wordt beoordeeld, vervalt de aanvraag en wordt het daarvoor gestorte bedrag niet terugbetaald.

Artikel 27

1. De aanvrager moet bij de aanmelding voor het ondergaan van een keuring of een herkeuring de aan hem toegezonden oproep en zijn identiteitsbewijs overleggen.

2. De aanvrager moet aan de keuringsarts of keuringscommissie een ondertekende verklaring afleggen over zijn persoonlijke anamnese en die zijner familie en deze verklaring met zijn handtekening bekrachtigen.

Artikel 28

1. De keuringsarts of de keuringscommissie of de herkeuringscommissie, geeft na de keuring of de herkeuring aan de aanvrager alsmede aan het Hoofd van de Luchtvaartdienst kennis van de plaats, de datum en de uitslag van de keuring of de herkeuring en op welk bewijs van bevoegdheid en bevoegdverklaring deze betrekking heeft. Indien de aanvrager ongeschikt is bevonden, moet zo mogelijk tevens kennis worden gegeven van de eventuele vermoedelijke duur van de ongeschiktheid.

2. Indien is gebleken dat de aanvrager een verklaring, als bedoeld in artikel 27 lid 2, in strijd met de waarheid heeft afgelegd, geeft de keuringsarts dan wel de (her)keuringscommissie hiervan kennis aan het Hoofd van de Luchtvaartdienst.

3. Indien is gebleken dat onjuiste gegevens zijn verstrekt, kan door of vanwege het Hoofd van de Luchtvaartdienst, de keuringsarts dan wel de (her)keuringscommissie gehoord, de keurings-, respektievelijk de herkeuringsuitslag nietig worden verklaard.

Artikel 29

Nadere instrukties ten aanzien van de bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen kunnen tussentijds bij MAL worden bekendgemaakt.

Artikel 30

STRAFBEPALINGEN

1. Hij die het bepaalde bij of krachtens één der artikelen van dit besluit overtreedt, of nalaat maatregelen te nemen, dat het bepaalde bij of krachtens één der artikelen wordt nagekomen, wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste één maand of een geldboete van ten hoogste duizend gulden.

2. De in het vorige lid strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen.

Artikel 31

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

1. De voor de inwerkingtreding van dit staatsbesluit geldig verklaarde bewijzen van bevoegdheid worden binnen 6 maanden vervangen door nieuwe met inachtneming van de bepalingen van dit staatsbesluit.

2. De artikelen 13, 14, 16, 17, 18, 20 en 21, van het besluit van 6 mei 1939 (G.B. 1939 No. 033 , geldende tekst G.B. 1955 No. 070) vervallen bij inwerkingtreding van dit staatsbesluit.

3. Dit staatsbesluit wordt bekend gemaakt in het Staatsblad van de Republiek Suriname en treedt in werking met ingang van de dag volgende op die van zijn bekendmaking.

Gegeven te Paramaribo, de 27ste november 1985.
L. F. RAMDAT MISIER.

De Minister van Transport, Handel en ]ndustrie,
I. E. FONG POEN.

Uitgegeven te Paramaribo, de 27ste november 1985.

De Minister van Binnenlandse Zaken, Districtsbestuur en Volksmobilisatie,
J. A. WIJDENBOSCH.

 

NOTA VAN TOELICHTING

Door de invoering van regels betreffende de bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaring(en) dienen de artikelen zoals die voorkomen in het Besluit van 6 mei 1939 (G.B. 1939 no. 33, geldende tekst G.B. 1955 no. 70) ter uitvoering van enkele artikelen van de Surinaamse Luchtvaartwet 1935 (G.B. 1935 no. 102, geldende tekst G.B. 1955 no. 69), te worden geschrapt. Het betreft i.c. de artikelen 13. 14, 16, 17, 18, 20 en 21. Deze zouden bij handhaving strijdig zijn met de thans geconcipieerde regeling inzake de bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaring(en). Met de invoering van deze regels wordt tegemoet gekomen aan de wens om niet alleen de in de andere landen verkregen bewijzen van bevoegdheid die bij de aanbieding nog geldig zijn te verlengen, maar wordt tevens in de mogelijkheid voorzien om eigen bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaring(en) uit te geven en om elders verkregen bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen onder bepaalde omstandigheden en voor een bepaalde periode gelijk te stellen aan de eigen bewijzen van bevoegdheid. Aangezien deze regels voortdurend aan wijziging onderhevig zijn, is de mogelijkheid gecreëerd om op snelle en eenvoudige wijze aanpassingen te plegen en wel bij ministeriële beschikking. De keuringsregels zijn eveneens uitgebreid, waarbij de met de keuring belaste instantie(s) deze keuring(en) kan (kunnen) verrichten met inachtneming van de richtiijnen vastgesteld in Bijiage 1 inzake bewijzen van bevoegdheid behorende bij het Verdrag van Chicago. Aangezien in Suriname alleen privé-vliegers worden opgeleid en wij niet over het materieel en het lnstituut beschikken om commerciële vliegers op te leiden is thans de mogelijkheid gecreëerd om buitenlandse opleidingen onder bepaalde omstandigheden te erkennen. Door het verschil in honorering van leden van de Surinaamse bemanning en de bemanning van de national carrier in de zgn. Welvaartstaten wordt hierdoor een kostenbesparend effect bereikt, terwijl hierdoor de onderhandelingspositie van onze national carrier bij inter airline gesprekken bij het aangaan van samenwerkingsvormen wordt gestabiliseerd. In deze regeling zijn tevens voorzieningen getroffen om niet alleen stuurhutpersoneel van bewijzen van bevoegdheid of bevoegdverklaringen te voorzien, doch ook anderen die buiten deze groep vallen. Aangezien wel eens een ballonvoerder gebruik maakt van ons luchtruim en in de afgelopen twee jaren het valschermspringen zich verder in positieve zin heeft ontwikkeld zal ook aan deze categorie luchtvarenden een bewijs van bevoegdheid of bevoegdverklaring worden afgegeven. Er zijn tevens voorzieningen getroffen om onder daarin aangehaalde omstandigheden het uitgereikte bewijs van bevoegdheid, of de gelijkstelling te schorsen of in te trekken.

De Minister van Transport, Handel en lndustrie,
I.E. FONG POEN.